zondag 29 mei 2016

De hervorming secundair onderwijs: Een stap vooruit, twee achteruit...

De recente "hervorming" van het secundair onderwijs dat de Vlaamse regering uit haar hoed toverde lijkt andermaal vooral gericht op "communicatie" zonder al te veel inhoud. De onderwijsvormen blijven behouden en er lijkt een opening te worden gecreëerd tot het oprichten van domeinscholen.
Spijtig genoeg lijkt het een een VSO 2.0 te worden, een bezorgdheid die we al in januari 2014, tezamen met Bram Spruyt (VUB - sociologie), Mieke Vanhoutte (UGent - Sociologie) en Ides Nicaise (KULeuven - Hiva) uitten. Voor wie het nog eens wil herlezen:


Hervormen doe je samen of doe je niet
In haar Memorandum 2014 vraagt het Gemeenschapsonderwijs terecht dat alle scholen verplicht worden mee te werken aan de hervorming van het secundair onderwijs.  Dat niet doen, vormt de grootste bedreiging voor een succesvolle hervorming. Een hervorming die gesteund wordt door een minister van Onderwijs, de regering waarvan hij deel uitmaakt en de onderwijskoepels, behoort onverkort en door alle scholen uitgevoerd te worden. Er is geen enkele goede reden om op dat punt onderhandelingsruimte te laten voor individuele scholen. Er zijn juist heel veel redenen om dat zeker niet te doen.
Ten eerste, kan men zich de chaos voorstellen die het scholenlandschap wordt indien bepaalde scholen wel evolueren tot domeinschool en anderen niet. Deze hervorming beoogt een vereenvoudiging van de structuur van het secundair onderwijs. Het moet voor jongeren en hun ouders duidelijker worden welke mogelijkheden, maar vooral ook welke gevolgen bepaalde keuzes hebben voor het verdere verloop van hun onderwijsloopbaan. Een vrijblijvende invoering à la carte zoals oorspronkelijk beoogt, zal net voor het omgekeerde zorgen.
Het risico bestaat, ten tweede, dat scholen die niet meestappen in het hervormingsverhaal zich als dusdanig zullen profileren. Los van kwaliteitscriteria verwordt (niet) hervormen dan tot een marketinginstrument. Op die manier wordt al dan niet behoren tot een school van het hervormd onderwijs een oneigenlijk element in de concurrentiestrijd tussen scholen.
Ten derde, hypothekeert de blijvende aanwezigheid van niet-domeinscholen de realisatie van de hervormingsplannen. Het is ondenkbaar dat studierichtingen in een onderwijssysteem dat uitgaat van belangstellingsgebieden identiek zijn aan studierichtingen die geordend zijn naar studieniveau. Daardoor wordt het compleet onduidelijk hoe jongeren van een niet-domeinschool naar een domeinschool of omgekeerd kunnen overschakelen. Dat zou immers betekenen dat de ene school nog wel sterk functioneert in de ‘beschottenlogica van aso-tso-bso’ en de andere niet. Het bestaan van scholen die niet meegaan in de domeinlogica, zal beleidsmakers dwingen overgangen te voorzien voor jongeren die van een niet-domeinschool willen overgaan naar een domeinschool. Dat kan alleen maar door richtingen uit beide onderwijstypes op elkaar af te stemmen. Als er nu één manier is om oude wijn in nieuwe zakken te maken, dan is het wel de deze.
Die versnippering dreigt, ten vierde, de schoolkeuze voor sommige jongeren de facto weg te nemen. Het is toch ondenkbaar dat je als jongere niet zou kunnen meestappen in een hervormd onderwijs dat gepromoot wordt door de minister van onderwijs, de regering en de onderwijskoepels. Maar wat dan indien op een redelijke afstand geen domeinschool te vinden is? Stel dat een kind met veel enthousiasme en talent kiest voor een bepaald belangstellingsgebied. Dan mogen ouders tenminste verwachten de mogelijkheid te hebben dat hun kind naar een school kan, waar het afhankelijk van zijn talent verschillende richtingen in dat belangstellingsgebied kan volgen.
Als men al die bezwaren overschouwt, kan men, tenslotte, ook niet anders dan besluiten dat een tweesporenbeleid zoals nu voorzien in de uitvoering, nooit budgetneutraal kan zijn. Een hervorming die vereenvoudiging brengt, kan geld besparen. Maar twee structuren naast elkaar recht houden, zal dat zeker niet doen.
Zowel de onderwijskoepels als de minister van Onderwijs maakten zich sterk dat zij scholen zullen overtuigen mee te werken. Naast de kracht van het woord moet financiële steun scholen over de brug trekken. Beleidsmatig is dat een nooit eerder gezien zwaktebod. Als we al iets uit eerdere experimenten en halfslachtige hervormingen kunnen leren, dan is het de noodzaak aan een duidelijke gelijkvormige structuur.

Bram Spruyt (VUB)
Dimokritos Kavadias (VUB)
Ides Nicaise (KULeuven)
Mieke Van Houtte (Ugent)
** De auteurs schreven mee aan het boek ‘Het Onderwijsdebat’ dat dit voorjaar bij uitgeverij EPO verschijnt.