De recente "hervorming" van het secundair onderwijs dat de Vlaamse regering uit haar hoed toverde lijkt andermaal vooral gericht op "communicatie" zonder al te veel inhoud. De onderwijsvormen blijven behouden en er lijkt een opening te worden gecreëerd tot het oprichten van domeinscholen.
Spijtig genoeg lijkt het een een VSO 2.0 te worden, een bezorgdheid die we al in januari 2014, tezamen met Bram Spruyt (VUB - sociologie), Mieke Vanhoutte (UGent - Sociologie) en Ides Nicaise (KULeuven - Hiva) uitten. Voor wie het nog eens wil herlezen:
Spijtig genoeg lijkt het een een VSO 2.0 te worden, een bezorgdheid die we al in januari 2014, tezamen met Bram Spruyt (VUB - sociologie), Mieke Vanhoutte (UGent - Sociologie) en Ides Nicaise (KULeuven - Hiva) uitten. Voor wie het nog eens wil herlezen:
Hervormen doe je samen
of doe je niet
In haar Memorandum 2014 vraagt het Gemeenschapsonderwijs
terecht dat alle scholen verplicht
worden mee te werken aan de hervorming van het secundair onderwijs. Dat niet doen, vormt de grootste bedreiging
voor een succesvolle hervorming. Een hervorming die gesteund wordt door een
minister van Onderwijs, de regering waarvan hij deel uitmaakt en de
onderwijskoepels, behoort onverkort en door alle
scholen uitgevoerd te worden. Er is geen enkele goede reden om op dat punt
onderhandelingsruimte te laten voor individuele scholen. Er zijn juist heel
veel redenen om dat zeker niet te doen.
Ten eerste, kan men zich de chaos voorstellen die het
scholenlandschap wordt indien bepaalde scholen wel evolueren tot domeinschool
en anderen niet. Deze hervorming beoogt een vereenvoudiging van de structuur
van het secundair onderwijs. Het moet voor jongeren en hun ouders duidelijker
worden welke mogelijkheden, maar vooral ook welke gevolgen bepaalde keuzes
hebben voor het verdere verloop van hun onderwijsloopbaan. Een vrijblijvende
invoering à la carte zoals oorspronkelijk beoogt, zal net voor het omgekeerde
zorgen.
Het risico bestaat, ten tweede, dat scholen die niet
meestappen in het hervormingsverhaal zich als dusdanig zullen profileren. Los
van kwaliteitscriteria verwordt (niet) hervormen dan tot een
marketinginstrument. Op die manier wordt al dan niet behoren tot een school van
het hervormd onderwijs een oneigenlijk element in de concurrentiestrijd tussen
scholen.
Ten derde, hypothekeert de blijvende aanwezigheid van
niet-domeinscholen de realisatie van de hervormingsplannen. Het is ondenkbaar
dat studierichtingen in een onderwijssysteem dat uitgaat van
belangstellingsgebieden identiek zijn aan studierichtingen die geordend zijn
naar studieniveau. Daardoor wordt het compleet onduidelijk hoe jongeren van een
niet-domeinschool naar een domeinschool of omgekeerd kunnen overschakelen. Dat
zou immers betekenen dat de ene school nog wel sterk functioneert in de
‘beschottenlogica van aso-tso-bso’ en de andere niet. Het bestaan van scholen
die niet meegaan in de domeinlogica, zal beleidsmakers dwingen overgangen te
voorzien voor jongeren die van een niet-domeinschool willen overgaan naar een
domeinschool. Dat kan alleen maar door richtingen uit beide onderwijstypes op
elkaar af te stemmen. Als er nu één manier is om oude wijn in nieuwe zakken te
maken, dan is het wel de deze.
Die versnippering dreigt, ten vierde, de schoolkeuze voor
sommige jongeren de facto weg te
nemen. Het is toch ondenkbaar dat je als jongere niet zou kunnen meestappen in
een hervormd onderwijs dat gepromoot wordt door de minister van onderwijs, de
regering en de onderwijskoepels. Maar wat dan indien op een redelijke afstand
geen domeinschool te vinden is? Stel dat een kind met veel enthousiasme en
talent kiest voor een bepaald belangstellingsgebied. Dan mogen ouders tenminste
verwachten de mogelijkheid te hebben dat hun kind naar een school kan, waar het
afhankelijk van zijn talent verschillende richtingen in dat belangstellingsgebied kan volgen.
Als men al die bezwaren overschouwt, kan men, tenslotte, ook
niet anders dan besluiten dat een tweesporenbeleid zoals nu voorzien in de
uitvoering, nooit budgetneutraal kan zijn. Een hervorming die vereenvoudiging
brengt, kan geld besparen. Maar twee structuren naast elkaar recht houden, zal dat
zeker niet doen.
Zowel de onderwijskoepels als de minister van Onderwijs
maakten zich sterk dat zij scholen zullen overtuigen mee te werken. Naast de
kracht van het woord moet financiële steun scholen over de brug trekken.
Beleidsmatig is dat een nooit eerder gezien zwaktebod. Als we al iets uit
eerdere experimenten en halfslachtige hervormingen kunnen leren, dan is het de
noodzaak aan een duidelijke gelijkvormige structuur.
Bram Spruyt (VUB)
Dimokritos Kavadias
(VUB)
Ides Nicaise (KULeuven)
Mieke Van Houtte (Ugent)
** De auteurs schreven mee aan het boek ‘Het Onderwijsdebat’
dat dit voorjaar bij uitgeverij EPO verschijnt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten