Radicalisering en extremisme zullen, naast het repressieve
veiligheidsbeleid, preventief worden aangepakt op de schoolbanken, aldus de
plannen op de vervroegde Conferentie van de Onderwijsministers van de Raad van
Europa en van minister Crevits. We mogen ons echter niet blindstaren op
bijkomende inspanning in het curriculum als een voldoende voorwaarde. Er is
veel meer werk aan de winkel en niet enkel via onderwijs.
In het zog van het hele debat rond radicalisering en de
misdaden in Parijs en Brussel, wordt er (opnieuw) een lans gebroken voor
burgerschap in het curriculum. Burgerschapsvorming impliceert dat men aandacht
moet hebben voor kritische zin en verschillen tussen mensen en de manieren om
daar op een humanistische en democratische manier mee om te gaan. Eenvoudig gesteld
moeten we in onze huidige complexe context jongeren met verschillende
achtergronden elkaar leren kennen en leren samenleven. We moeten op de
schoolbanken radicalisering in de kiem smoren. Wie kan hier iets tegen hebben?
De Britse socioloog Basil Bernstein schreef in 1970 onder de
provocerende titel ‘Education cannot compensate for society’ een pleidooi om
onrealistische verwachtingen ten aanzien van het onderwijs te temperen. Men had
en heeft inderdaad de neiging om het onderwijs te zien als een instituut dat
zal compenseren in al wat misgaat in een samenleving. Bernstein pleitte daarmee
niet tegen (investeringen in) onderwijs. Integendeel, hij pleitte voor een
onderwijs dat ten gronde emancipeert en waar volop in wordt geïnvesteerd. De
discussie van 40 jaar geleden over maatregelen in het onderwijs om
maatschappelijke problemen te counteren lijkt opnieuw zeer actueel. Men dreigt
immers de bal (alweer) in het kamp van onderwijs te leggen zonder gegronde en
brede beleidsmaatregelen te treffen.
Burgerschapseducatie is lange tijd stiefmoederlijk
behandeld. Vlaanderen opteerde pas met de invoering van eindtermen midden jaren
1990 om vakoverschrijdend te werken aan ‘burgerzin’. Het vakoverschrijdende was
een compromis om zoveel mogelijk vrijheid aan de scholen en de koepels te
laten. Zelf hebben we vanuit onderzoeksresultaten naar waardevorming in het
onderwijs en burgerschapseducatie in het verleden ook gepleit voor een
curriculum rond burgerschap. Belangrijk is echter dat we niet in de val mogen
trappen die Bernstein bijna een halve eeuw geleden aangaf: verwachten dat
onderwijs compenseert wat de samenleving niet geeft. Een van de vaststellingen
van analyses op het internationaal vergelijkende gegevens ICCS2009 (bij 140.000
14-jarigen uit 38 landen) is dat er inzake burgerschapsattitudes van jongeren
geen verschillen bestaan tussen systemen waarin wel dergelijke vakken zijn en
systemen die dat niet hebben. Sommige landen hebben een apart vak burgerschap,
organiseren daarenboven vakoverschrijdend projecten rond democratie en
moraliteit en schenken aandacht aan hedendaagse maatschappelijke problemen.
Toch zien we geen wezenlijke verschillen tussen leerlingen in die landen en
leerlingen in landen waar dat niet wordt ingevoerd, eens we rekening houden met
het soort leerlingen (de sociale status of het gezin waaruit zij / hij komt) en
een aantal andere kenmerken van het onderwijs en de leerkrachten.
Veel belangrijker zijn de vaardigheden van leerkrachten in
deze. De houdingen en de professionaliteit van leerkrachten heeft een veel
grotere invloed vanuit internationaal vergelijkend perspectief dan het al dan
niet formeel invoeren van vakken of een curriculum rond hoe een goed burger moet
zijn. Het gaat vooral over de manier waarop leerkrachten erin slagen om
leerlingen kritisch te laten reflecteren vanuit hun eigen brede kennis en
vaardigheden. Ook de stratificatie in een onderwijssysteem (vroeg apart houden
op basis van prestaties) heeft een grotere impact op wat jongeren denken en
voelen, dan het bestaan van een expliciet curriculum. In samenlevingen waar
inkomensongelijkheid klein is en waar er een kansengelijkheid is in onderwijs, scoren
jongeren hoger op burgerschapswaarden.
We twijfelen er niet aan dat scholen een verschil kunnen
maken. Het invoeren van kritische reflectie, democratisch dialoog in de klas of
een vak levensbeschouwing, ethiek en filosofie (LEF) kan het verschil maken
voor vele leerlingen. Begrip voor elkaar leren krijgen op school lijkt ons een
noodzakelijke voorwaarde. Op zich vormt dit echter geen voldoende voorwaarde. Kortom,
de manier waarop een samenleving omgaat met de skills van leerkrachten, met de
kansen(on)gelijkheid in onderwijs en de wijze waarop er wordt gedifferentieerd
in een school minstens even noodzakelijk dan het aanpakken van het curriculum. Deze
elementen vormen momenteel een veel krachtiger onofficieel curriculum dan welk
vak dan ook. Anders vrezen we dat de nieuwe burgerschapsvorming een maat voor
niets zal zijn.
Dimokritos Kavadias – Vakgroep Politieke Wetenschappen VUB
Britt Dehertogh – Sociaal Werk AP-hogeschool
Zoals je zegt, Dimo, "er is veel meer werk aan de winkel en niet enkel via onderwijs". HET onderwijs bestaat uit meerdere (gemotiveerde en geëngageerde) leraars die slechts een beperkte tijd per week met leerlingen werken. Eén vak 'burgerzin' is zeer interessant maar ruim onvoldoende. Er is een gecoördineerde, inclusieve en vakoverschrijdende aanpak nodig. Naast dit is er ook een ruimere visie nodig over de school als instituut en hoe jongeren hierin passen, eerder als partner dan als participant.
BeantwoordenVerwijderenIk stel mij ook de vraag of radicalisering niet één van de vele gevolgen is van een groeiende individualisering in de (postmoderne?) maatschappij maar ook vervreemding van die maatschappij en haar instituten van een groep die geen aanvaardbaar (voor zichzelf) toekomstperspectief ziet. Om radicalisering aan te pakken moet men OOK aan de wortels beginnen en in eerste instantie daar waar het begint of zou kunnen beginnen (tijd, ruimte en mens). En dat is een snijpunt waar meerdere actoren en factoren actief, bevoegd en verantwoordelijk voor zijn.
Groeten, Christos Pistolas